Herman

Herman

 Door Harlynn Bouma

Herman zit over de breedte van twee zitplaatsen, zijn voeten een flink eind uit elkaar en stevig op de grond gezet. Aan zijn schoenen kleeft opgedroogde modder. Zijn knieën raken bijna het bankje tegenover hem en zijn rechterschouder heeft al een deel van het bedauwde raam schoongewreven. Hermans blik is naar beneden gericht. Over zijn baard heen kijkt hij naar de vieze afdrukken van de schoenen die hier voor de zijne op de vloer van de trein hebben gestaan tussen de croissantkruimels van de ochtendforenzen.
De trein stopt en de deuren gaan sissend open. Herman kijkt op. Op het perron rent een klein blond meisje met een rode jas. Haar wangen gloeien van de kou. De wantjes die met een touw door haar mouwen aan elkaar vastzitten, springen losjes op en neer. Achter haar aan haast zich een jonge vrouw met kort bruin haar dat ze steeds tevergeefs achter haar oren probeert te strijken. Ze pakt het kind bij de hand en trekt het snel in de richting van de trein. Het fluitsignaal klinkt, het kind struikelt met haar moeder mee. Herman ziet ze nog net op tijd instappen.
‘Hier, mama’, roept het meisje als ze de lege plekken tegenover Herman hebben bereikt. Aarzelend gaat de vrouw zitten. Ze trekt het kind tegen zich aan, maar dat wurmt zich los. Op haar knieën gezeten begint ze de man tegenover zich uitgebreid te bestuderen.
‘Wat kijk je?’, vraagt Herman bruusk.
‘Jij lijkt op een reus!’, stoot het kind uit.
‘U lijkt op een reus’, verbetert haar moeder. Meteen slaat ze haar ogen neer. Herman ziet rode vlekken in haar nek verschijnen. Het meisje kijkt met grote ogen naar hem en dan naar haar moeder. Herman gaat achterover zitten, haalt een pak stroopwafels uit zijn jaszak en begint aan het sluitstripje te pulken. Hij probeert zijn nagels achter het kleine stukje plastic te zetten, maar zijn grote vingers krijgen er geen grip op.
‘Zal ik…’ De vrouw steekt haar hand uit. Herman kijkt haar aan. Even is het doodstil. Dan buigt de vrouw zich naar hem toe, pakt het pakje uit zijn hand, haalt het clipje eraf en geeft het hem terug. Herman voelt haar koele vingers twee keer tegen zijn handen, bij het pakken tegen zijn rechterduim, bij het teruggeven tegen de rug van zijn linkerhand. Herman schudt twee stroopwafels uit het pak en geeft er een aan het meisje. Hij kijkt de vrouw tegenover hem opnieuw aan, legt de koek die hij nog vasthoudt op het tafeltje tussen hen in, veegt zijn hand aan zijn broek af en steekt hem naar haar uit. Haar hand verdwijnt in de zijne, haar stem slaat over terwijl ze haar naam zegt.
‘Herman,’ zegt hij schor.

Scroll naar top